Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

From aan +‎ kleden.

VerbEdit

aankleden

  1. (transitive) to dress, put clothing on someone or something
    Welke idioot heeft de kat aangekleed?
    What idiot put clothes on the cat?
  2. (reflexive) to get dressed, put clothes on oneself
    Haastig kleedde hij zich aan zodra hij iemand hoorde naderen.
    Hastily he got dressed as soon as he heard someone approaching.
  3. (transitive) to furnish with textile, furniture, decorations etc.
    Het vergt goede smaak om een fraaie kamer stijlvol aan te kleden.
    It takes good taste to furnish a nice room stylishly.
  4. (transitive, figuratively) to dress up, present with embellishments, excuses etc.
    Kleed het aan zoals je wil, daarvoor zal pa je vel willen!
    Dress it up all you want, dad will have your hide for that!

InflectionEdit

Inflection of aankleden (weak, separable)
infinitive aankleden
past singular kleedde aan
past participle aangekleed
infinitive aankleden
gerund aankleden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kleed aan kleedde aan aankleed aankleedde
2nd person sing. (jij) kleedt aan kleedde aan aankleedt aankleedde
2nd person sing. (u) kleedt aan kleedde aan aankleedt aankleedde
2nd person sing. (gij) kleedt aan kleedde aan aankleedt aankleedde
3rd person singular kleedt aan kleedde aan aankleedt aankleedde
plural kleden aan kleedden aan aankleden aankleedden
subjunctive sing.1 klede aan kleedde aan aanklede aankleedde
subjunctive plur.1 kleden aan kleedden aan aankleden aankleedden
imperative sing. kleed aan
imperative plur.1 kleedt aan
participles aankledend aangekleed
1) Archaic.

AntonymsEdit

Derived termsEdit

AnagramsEdit