Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch bewerken, from Old Dutch bewirken. Equivalent to be- +‎ werken.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈʋɛrkə(n)/
  • (file)

VerbEdit

bewerken

  1. (transitive) to work
  2. (transitive) to work on, to till
  3. (transitive) to edit, to rework
  4. (transitive) to manipulate, to try change opinion

InflectionEdit

Inflection of bewerken (weak, prefixed)
infinitive bewerken
past singular bewerkte
past participle bewerkt
infinitive bewerken
gerund bewerken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bewerk bewerkte
2nd person sing. (jij) bewerkt bewerkte
2nd person sing. (u) bewerkt bewerkte
2nd person sing. (gij) bewerkt bewerkte
3rd person singular bewerkt bewerkte
plural bewerken bewerkten
subjunctive sing.1 bewerke bewerkte
subjunctive plur.1 bewerken bewerkten
imperative sing. bewerk
imperative plur.1 bewerkt
participles bewerkend bewerkt
1) Archaic.

Derived termsEdit