bewerken

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch *bewerken, from Old Dutch *bewirken. Equivalent to be- +‎ werken.

Cognate with English bework ‎(to work), German bewirken ‎(to bring about, effect), Danish bevirke ‎(to cause).

PronunciationEdit

VerbEdit

bewerken ‎(past singular bewerkte, past participle bewerkt)

  1. to edit, rework
  2. (transitive) to work, manipulate, operate

ConjugationEdit

Inflection of bewerken (weak, prefixed)
infinitive bewerken
past singular bewerkte
past participle bewerkt
infinitive bewerken
gerund bewerken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bewerk bewerkte
2nd person sing. (jij) bewerkt bewerkte
2nd person sing. (u) bewerkt bewerkte
2nd person sing. (gij) bewerkt bewerkte
3rd person singular bewerkt bewerkte
plural bewerken bewerkten
subjunctive sing.1 bewerke bewerkte
subjunctive plur.1 bewerken bewerkten
imperative sing. bewerk
imperative plur.1 bewerkt
participles bewerkend bewerkt
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language