Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

From Middle Dutch bewisen. Equivalent to be- +‎ wijzen.

VerbEdit

bewijzen

  1. (transitive) to prove
  2. (transitive) to confer (a favor)
InflectionEdit
Inflection of bewijzen (strong class 1, prefixed)
infinitive bewijzen
past singular bewees
past participle bewezen
infinitive bewijzen
gerund bewijzen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bewijs bewees
2nd person sing. (jij) bewijst bewees
2nd person sing. (u) bewijst bewees
2nd person sing. (gij) bewijst beweest
3rd person singular bewijst bewees
plural bewijzen bewezen
subjunctive sing.1 bewijze beweze
subjunctive plur.1 bewijzen bewezen
imperative sing. bewijs
imperative plur.1 bewijst
participles bewijzend bewezen
1) Archaic.

Etymology 2Edit

Non-lemma forms.

NounEdit

bewijzen

  1. Plural form of bewijs