Open main menu

DutchEdit

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈblɛi̯kə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: blij‧ken
  • Rhymes: -ɛi̯kən

Etymology 1Edit

From Middle Dutch bliken, from Old Dutch *blīcan, from Proto-Germanic *blīkaną, *blīkijaną.

VerbEdit

blijken

  1. (intransitive) to appear, to become apparent
  2. (copulative) to appear
  3. (copulative) to turn out
    Oorspronkelijk was het Atomium bedoeld om slechts gedurende de Expo overeind te blijven, maar het bleek dermate populair dat het nooit is afgebroken.
    Originally, the Atomium was meant to remain standing only during the Expo, but it turned out so popular that it has never been taken down.
InflectionEdit
Inflection of blijken (strong class 1)
infinitive blijken
past singular bleek
past participle gebleken
infinitive blijken
gerund blijken n
present tense past tense
1st person singular blijk bleek
2nd person sing. (jij) blijkt bleek
2nd person sing. (u) blijkt bleek
2nd person sing. (gij) blijkt bleekt
3rd person singular blijkt bleek
plural blijken bleken
subjunctive sing.1 blijke bleke
subjunctive plur.1 blijken bleken
imperative sing. blijk
imperative plur.1 blijkt
participles blijkend gebleken
1) Archaic.
Derived termsEdit
Related termsEdit
DescendantsEdit

Etymology 2Edit

See the etymology of the main entry.

NounEdit

blijken

  1. plural of blijk