Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch schinen, from Old Dutch skīnan, from Proto-Germanic *skīnaną.

VerbEdit

schijnen

  1. (ergative) to shine
    De zon schijnt.
    The sun is shining.
    Ze scheen een zaklamp in mijn gezicht.
    She shone a torch in my face.
  2. (copulative) to appear, to seem
    Het schijnt dat ze verhuisd is.
    It appears that she has moved.

InflectionEdit

Inflection of schijnen (strong class 1)
infinitive schijnen
past singular scheen
past participle geschenen
infinitive schijnen
gerund schijnen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular schijn scheen
2nd person sing. (jij) schijnt scheen
2nd person sing. (u) schijnt scheen
2nd person sing. (gij) schijnt scheent
3rd person singular schijnt scheen
plural schijnen schenen
subjunctive sing.1 schijne schene
subjunctive plur.1 schijnen schenen
imperative sing. schijn
imperative plur.1 schijnt
participles schijnend geschenen
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language