Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From dicht +‎ doen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈdɪxdun/
  • (file)

VerbEdit

dichtdoen

  1. (transitive) to close
    Wil jij de deur dichtdoen?
    Would you close the door?

InflectionEdit

Inflection of dichtdoen (strong class non-standard, irregular, separable)
infinitive dichtdoen
past singular deed dicht
past participle dichtgedaan
infinitive dichtdoen
gerund dichtdoen n|- class="vsHide" style="background: #E6E6FF;" main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular doe dicht deed dicht dichtdoe dichtdeed
2nd person sing. (jij) doet dicht deed dicht dichtdoet dichtdeed
2nd person sing. (u) doet dicht deed dicht dichtdoet dichtdeed
2nd person sing. (gij) doet dicht deedt dicht dichtdoet dichtdeedt
3rd person singular doet dicht deed dicht dichtdoet dichtdeed
plural doen dicht deden dicht dichtdoen dichtdeden
subjunctive sing.1 doe dicht dede dicht dichtdoe dichtdede
subjunctive plur.1 doen dicht deden dicht dichtdoen dichtdeden
imperative sing. doe dicht
imperative plur.1 doet dicht
participles dichtdoend dichtgedaan
1) Archaic.

SynonymsEdit

AnagramsEdit