Contents

DutchEdit

Etymology 1Edit

From door +‎ dringen.

PronunciationEdit

VerbEdit

doordringen

  1. (intransitive) to penetrate
InflectionEdit
Inflection of doordringen (strong class 3, separable)
infinitive doordringen
past singular drong door
past participle doorgedrongen
infinitive doordringen
gerund doordringen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular dring door drong door doordring doordrong
2nd person sing. (jij) dringt door drong door doordringt doordrong
2nd person sing. (u) dringt door drong door doordringt doordrong
2nd person sing. (gij) dringt door drongt door doordringt doordrongt
3rd person singular dringt door drong door doordringt doordrong
plural dringen door drongen door doordringen doordrongen
subjunctive sing.1 dringe door dronge door doordringe doordronge
subjunctive plur.1 dringen door drongen door doordringen doordrongen
imperative sing. dring door
imperative plur.1 dringt door
participles doordringend doorgedrongen
1) Archaic.
Derived termsEdit

Etymology 2Edit

From door- +‎ dringen.

PronunciationEdit

VerbEdit

doordringen

  1. (transitive) to get through to, to convince
InflectionEdit
Inflection of doordringen (strong class 3, prefixed)
infinitive doordringen
past singular doordrong
past participle doordrongen
infinitive doordringen
gerund doordringen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular doordring doordrong
2nd person sing. (jij) doordringt doordrong
2nd person sing. (u) doordringt doordrong
2nd person sing. (gij) doordringt doordrongt
3rd person singular doordringt doordrong
plural doordringen doordrongen
subjunctive sing.1 doordringe doordronge
subjunctive plur.1 doordringen doordrongen
imperative sing. doordring
imperative plur.1 doordringt
participles doordringend doordrongen
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language