gebruiken

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

PIE root
*bʰruHg-
EB1911 - Volume 01 - Page 001 - 1.svg This entry lacks etymological information. If you are familiar with the origin of this term, please add it to the page per etymology instructions.

PronunciationEdit

VerbEdit

gebruiken ‎(past singular gebruikte, past participle gebruikt)

  1. To use.

ConjugationEdit

Inflection of gebruiken (weak, prefixed)
infinitive gebruiken
past singular gebruikte
past participle gebruikt
infinitive gebruiken
gerund gebruiken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular gebruik gebruikte
2nd person sing. (jij) gebruikt gebruikte
2nd person sing. (u) gebruikt gebruikte
2nd person sing. (gij) gebruikt gebruikte
3rd person singular gebruikt gebruikte
plural gebruiken gebruikten
subjunctive sing.1 gebruike gebruikte
subjunctive plur.1 gebruiken gebruikten
imperative sing. gebruik
imperative plur.1 gebruikt
participles gebruikend gebruikt
1) Archaic.

Derived termsEdit

Related termsEdit

NounEdit

gebruiken

  1. Plural form of gebruik
Read in another language