Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

From Middle Dutch gebruken, from Old Dutch *gibrūkan. Equivalent to modern ge- +‎ bruiken.

VerbEdit

gebruiken

  1. (transitive) to use
InflectionEdit
Inflection of gebruiken (weak, prefixed)
infinitive gebruiken
past singular gebruikte
past participle gebruikt
infinitive gebruiken
gerund gebruiken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular gebruik gebruikte
2nd person sing. (jij) gebruikt gebruikte
2nd person sing. (u) gebruikt gebruikte
2nd person sing. (gij) gebruikt gebruikte
3rd person singular gebruikt gebruikte
plural gebruiken gebruikten
subjunctive sing.1 gebruike gebruikte
subjunctive plur.1 gebruiken gebruikten
imperative sing. gebruik
imperative plur.1 gebruikt
participles gebruikend gebruikt
1) Archaic.
Derived termsEdit

Etymology 2Edit

Non-lemma forms.

NounEdit

gebruiken

  1. Plural form of gebruik