losmaken

DutchEdit

EtymologyEdit

From los +‎ maken.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈlɔsˌmaː.kə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: los‧ma‧ken

VerbEdit

losmaken

  1. (transitive) to make loose, to undo, unfasten
    Antonym: vastmaken
  2. (transitive, strongly associated with market salespeople and street sellers) to buy all the wares from, to buy until the seller is out of stock
    Wie maakt me los?Who will buy all my remaining stock?
  3. (reflexive) to extricate oneself [+ uit (from)], to cut ties [+ uit (from)]

InflectionEdit

Inflection of losmaken (weak, separable)
infinitive losmaken
past singular maakte los
past participle losgemaakt
infinitive losmaken
gerund losmaken n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak los maakte los losmaak losmaakte
2nd person sing. (jij) maakt los maakte los losmaakt losmaakte
2nd person sing. (u) maakt los maakte los losmaakt losmaakte
2nd person sing. (gij) maakt los maakte los losmaakt losmaakte
3rd person singular maakt los maakte los losmaakt losmaakte
plural maken los maakten los losmaken losmaakten
subjunctive sing.1 make los maakte los losmake losmaakte
subjunctive plur.1 maken los maakten los losmaken losmaakten
imperative sing. maak los
imperative plur.1 maakt los
participles losmakend losgemaakt
1) Archaic.

DescendantsEdit

  • Negerhollands: maak los

AnagramsEdit