omvliegen

DutchEdit

Etymology 1Edit

From om +‎ vliegen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈɔmˌvli.ɣə(n)/
  • Hyphenation: om‧vlie‧gen

VerbEdit

omvliegen

  1. (transitive) to fly around
  2. (intransitive) to turn around while flying
InflectionEdit
Inflection of omvliegen (strong class 2a, separable)
infinitive omvliegen
past singular vloog om
past participle omgevlogen
infinitive omvliegen
gerund omvliegen n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular vlieg om vloog om omvlieg omvloog
2nd person sing. (jij) vliegt om vloog om omvliegt omvloog
2nd person sing. (u) vliegt om vloog om omvliegt omvloog
2nd person sing. (gij) vliegt om vloogt om omvliegt omvloogt
3rd person singular vliegt om vloog om omvliegt omvloog
plural vliegen om vlogen om omvliegen omvlogen
subjunctive sing.1 vliege om vloge om omvliege omvloge
subjunctive plur.1 vliegen om vlogen om omvliegen omvlogen
imperative sing. vlieg om
imperative plur.1 vliegt om
participles omvliegend omgevlogen
1) Archaic.

Etymology 2Edit

From om- +‎ vliegen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌɔmˈvli.ɣə(n)/
  • Hyphenation: om‧vlie‧gen
  • Rhymes: -iɣən

VerbEdit

omvliegen

  1. (transitive) to surround while flying
InflectionEdit
Inflection of omvliegen (strong class 2a, prefixed)
infinitive omvliegen
past singular omvloog
past participle omvlogen
infinitive omvliegen
gerund omvliegen n
present tense past tense
1st person singular omvlieg omvloog
2nd person sing. (jij) omvliegt omvloog
2nd person sing. (u) omvliegt omvloog
2nd person sing. (gij) omvliegt omvloogt
3rd person singular omvliegt omvloog
plural omvliegen omvlogen
subjunctive sing.1 omvliege omvloge
subjunctive plur.1 omvliegen omvlogen
imperative sing. omvlieg
imperative plur.1 omvliegt
participles omvliegend omvlogen
1) Archaic.