onthouden

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch onthouden. Equivalent to ont- +‎ houden.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˌɔntˈɦɑu̯.də(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ont‧hou‧den
  • Rhymes: -ɑu̯dən

VerbEdit

onthouden

  1. (transitive) to keep in mind, to remember
    Ik zal het onthouden voor de volgende keer. — I'll keep it in mind for the next time.
  2. (arithmetic, by extension) to carry
    Even zien, 3 onthouden, delen door 5, maal 8 maakt 1! — Let's see, carry 3, divide by 5, times 8 makes 1!
  3. (transitive) to retain, to withhold
    Ik onthield mijn stem, want ik heb geen mening over deze zaak. — I retained my vote, because I haven't got an opinion about this case.
  4. (transitive) to deny
    Je kunt hem dat plezier niet onthouden — You can't deny him that pleasure.
  5. (reflexive) to abstain
    Vasten is het zich geheel of gedeeltelijk onthouden van eten of drinken voor een bepaalde periode.[1] — Fasting is the entire or partial abstention from eating or drinking for a certain period.

InflectionEdit

Inflection of onthouden (strong class 7, slightly irregular, prefixed)
infinitive onthouden
past singular onthield
past participle onthouden
infinitive onthouden
gerund onthouden n
present tense past tense
1st person singular onthou, onthoud onthield
2nd person sing. (jij) onthoudt onthield
2nd person sing. (u) onthoudt onthield
2nd person sing. (gij) onthoudt onthieldt
3rd person singular onthoudt onthield
plural onthouden onthielden
subjunctive sing.1 onthoude onthielde
subjunctive plur.1 onthouden onthielden
imperative sing. onthou, onthoud
imperative plur.1 onthoudt
participles onthoudend onthouden
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: onthou

ParticipleEdit

onthouden

  1. past participle of onthouden

InflectionEdit

Inflection of onthouden
uninflected onthouden
inflected onthouden
positive
predicative/adverbial onthouden
indefinite m./f. sing. onthouden
n. sing. onthouden
plural onthouden
definite onthouden
partitive onthoudens