opwinden

DutchEdit

EtymologyEdit

op ‎(up) +‎ winden ‎(wind)

PronunciationEdit

VerbEdit

opwinden ‎(past singular wond op, past participle opgewonden)

  1. (transitive) To wind, e.g. tighten a clockwork mechanism
  2. (transitive) To agitate, excite

ConjugationEdit

Inflection of opwinden (strong class 3, separable)
infinitive opwinden
past singular wond op
past participle opgewonden
infinitive opwinden
gerund opwinden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular wind op wond op opwind opwond
2nd person sing. (jij) windt op wond op opwindt opwond
2nd person sing. (u) windt op wond op opwindt opwond
2nd person sing. (gij) windt op wondt op opwindt opwondt
3rd person singular windt op wond op opwindt opwond
plural winden op wonden op opwinden opwonden
subjunctive sing.1 winde op wonde op opwinde opwonde
subjunctive plur.1 winden op wonden op opwinden opwonden
imperative sing. wind op
imperative plur.1 windt op
participles opwindend opgewonden
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language