uitstellen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

EB1911 - Volume 01 - Page 001 - 1.svg This entry lacks etymological information. If you are familiar with the origin of this term, please add it to the page per etymology instructions.

PronunciationEdit

VerbEdit

uitstellen ‎(past singular stelde uit, past participle uitgesteld)

  1. to postpone, defer, delay

ConjugationEdit

Inflection of uitstellen (weak, separable)
infinitive uitstellen
past singular stelde uit
past participle uitgesteld
infinitive uitstellen
gerund uitstellen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular stel uit stelde uit uitstel uitstelde
2nd person sing. (jij) stelt uit stelde uit uitstelt uitstelde
2nd person sing. (u) stelt uit stelde uit uitstelt uitstelde
2nd person sing. (gij) stelt uit stelde uit uitstelt uitstelde
3rd person singular stelt uit stelde uit uitstelt uitstelde
plural stellen uit stelden uit uitstellen uitstelden
subjunctive sing.1 stelle uit stelde uit uitstelle uitstelde
subjunctive plur.1 stellen uit stelden uit uitstellen uitstelden
imperative sing. stel uit
imperative plur.1 stelt uit
participles uitstellend uitgesteld
1) Archaic.

AnagramsEdit

Read in another language