DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch verhuegen. Equivalent to ver- +‎ heugen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /vərˈɦøːɣə(n)/
  • (file)
  • Rhymes: -øːɣən

VerbEdit

verheugen

  1. (transitive) to make happy, delight
    Het verheugt mij dat je even de tijd hebt gevonden om bij mij te komen.
    It delights me that you found the time to come by.
  2. (reflexive) to rejoice, be glad
  3. (reflexive) to look forward [+ op (object) = to]

InflectionEdit

Inflection of verheugen (weak, prefixed)
infinitive verheugen
past singular verheugde
past participle verheugd
infinitive verheugen
gerund verheugen n
present tense past tense
1st person singular verheug verheugde
2nd person sing. (jij) verheugt verheugde
2nd person sing. (u) verheugt verheugde
2nd person sing. (gij) verheugt verheugde
3rd person singular verheugt verheugde
plural verheugen verheugden
subjunctive sing.1 verheuge verheugde
subjunctive plur.1 verheugen verheugden
imperative sing. verheug
imperative plur.1 verheugt
participles verheugend verheugd
1) Archaic.