vermelden

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ melden

PronunciationEdit

VerbEdit

vermelden ‎(past singular vermeldde, past participle vermeld)

  1. to mention

ConjugationEdit

Inflection of vermelden (weak, prefixed)
infinitive vermelden
past singular vermeldde
past participle vermeld
infinitive vermelden
gerund vermelden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vermeld vermeldde
2nd person sing. (jij) vermeldt vermeldde
2nd person sing. (u) vermeldt vermeldde
2nd person sing. (gij) vermeldt vermeldde
3rd person singular vermeldt vermeldde
plural vermelden vermeldden
subjunctive sing.1 vermelde vermeldde
subjunctive plur.1 vermelden vermeldden
imperative sing. vermeld
imperative plur.1 vermeldt
participles vermeldend vermeld
1) Archaic.

Derived termsEdit

Read in another language