voederen

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

voederen

  1. Alternative form of voeren

InflectionEdit

Inflection of voederen (weak)
infinitive voederen
past singular voederde
past participle gevoederd
infinitive voederen
gerund voederen n
present tense past tense
1st person singular voeder voederde
2nd person sing. (jij) voedert voederde
2nd person sing. (u) voedert voederde
2nd person sing. (gij) voedert voederde
3rd person singular voedert voederde
plural voederen voederden
subjunctive sing.1 voedere voederde
subjunctive plur.1 voederen voederden
imperative sing. voeder
imperative plur.1 voedert
participles voederend gevoederd
1) Archaic.

AnagramsEdit


Middle DutchEdit

Etymology 1Edit

From voeder (food) +‎ -en.

VerbEdit

voederen

  1. to feed
InflectionEdit

This verb needs an inflection-table template.

DescendantsEdit
  • Dutch: voeren, voederen
  • Limburgish: vore, vodere

Etymology 2Edit

From voeder (lining) +‎ -en.

VerbEdit

voederen

  1. to line, to cover the inner surface of
InflectionEdit

This verb needs an inflection-table template.

DescendantsEdit

Further readingEdit