voederen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch voedren, from voeder ‎(fodder, lining). The sense "lining" is now obsolete in the noun, but survives in the verb; it derives from Latin fodorus ‎(sheath).

PronunciationEdit

VerbEdit

voederen ‎(past singular voederde, past participle gevoederd)

  1. Alternative form of voeren

ConjugationEdit

Inflection of voederen (weak)
infinitive voederen
past singular voederde
past participle gevoederd
infinitive voederen
gerund voederen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular voeder voederde
2nd person sing. (jij) voedert voederde
2nd person sing. (u) voedert voederde
2nd person sing. (gij) voedert voederde
3rd person singular voedert voederde
plural voederen voederden
subjunctive sing.1 voedere voederde
subjunctive plur.1 voederen voederden
imperative sing. voeder
imperative plur.1 voedert
participles voederend gevoederd
1) Archaic.

Related termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language