aanduiden

DutchEdit

EtymologyEdit

From aan +‎ duiden.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈaːndœy̯də(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: aan‧dui‧den

VerbEdit

aanduiden

  1. (transitive) to indicate, to mark, to point out
    De schaal van Beaufort wordt gebruikt om de snelheid van de wind aan te duiden.
    The Beaufort scale is used to indicate the speed of the wind.
    Synonym: aanwijzen
  2. (transitive) to express, to put into words
    Synonyms: uitdrukken, verwoorden

InflectionEdit

Inflection of aanduiden (weak, separable)
infinitive aanduiden
past singular duidde aan
past participle aangeduid
infinitive aanduiden
gerund aanduiden n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular duid aan duidde aan aanduid aanduidde
2nd person sing. (jij) duidt aan duidde aan aanduidt aanduidde
2nd person sing. (u) duidt aan duidde aan aanduidt aanduidde
2nd person sing. (gij) duidt aan duidde aan aanduidt aanduidde
3rd person singular duidt aan duidde aan aanduidt aanduidde
plural duiden aan duidden aan aanduiden aanduidden
subjunctive sing.1 duide aan duidde aan aanduide aanduidde
subjunctive plur.1 duiden aan duidden aan aanduiden aanduidden
imperative sing. duid aan
imperative plur.1 duidt aan
participles aanduidend aangeduid
1) Archaic.

Derived termsEdit

AnagramsEdit