Open main menu
See also: Antwoorden

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈɑntʋoːrdə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ant‧woor‧den

Etymology 1Edit

From Middle Dutch antworden, from Old Dutch antworden, from Proto-Germanic *andawurdijaną.

VerbEdit

antwoorden

  1. (intransitive) to answer, reply
    Hij heeft niet geantwoord.
    He has not answered.
InflectionEdit
Inflection of antwoorden (weak)
infinitive antwoorden
past singular antwoordde
past participle geantwoord
infinitive antwoorden
gerund antwoorden n
present tense past tense
1st person singular antwoord antwoordde
2nd person sing. (jij) antwoordt antwoordde
2nd person sing. (u) antwoordt antwoordde
2nd person sing. (gij) antwoordt antwoordde
3rd person singular antwoordt antwoordde
plural antwoorden antwoordden
subjunctive sing.1 antwoorde antwoordde
subjunctive plur.1 antwoorden antwoordden
imperative sing. antwoord
imperative plur.1 antwoordt
participles antwoordend geantwoord
1) Archaic.
Derived termsEdit
Related termsEdit
DescendantsEdit

Etymology 2Edit

See the etymology of the main entry.

NounEdit

antwoorden

  1. plural of antwoord