becijferen

Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

VerbEdit

becijferen ‎(past singular becijferde, past participle becijferd)

  1. to compute, to calculate

ConjugationEdit

Inflection of becijferen (weak, prefixed)
infinitive becijferen
past singular becijferde
past participle becijferd
infinitive becijferen
gerund becijferen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular becijfer becijferde
2nd person sing. (jij) becijfert becijferde
2nd person sing. (u) becijfert becijferde
2nd person sing. (gij) becijfert becijferde
3rd person singular becijfert becijferde
plural becijferen becijferden
subjunctive sing.1 becijfere becijferde
subjunctive plur.1 becijferen becijferden
imperative sing. becijfer
imperative plur.1 becijfert
participles becijferend becijferd
1) Archaic.
Read in another language