bevragen

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch bevragen. Equivalent to be- +‎ vragen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈvraː.ɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧vra‧gen
  • Rhymes: -aːɣən

VerbEdit

bevragen

  1. (transitive) to ask questions of, to direct questions at, to interrogate

InflectionEdit

Inflection of bevragen (strong class 6 with weak past participle, prefixed)
infinitive bevragen
past singular bevroeg
past participle bevraagd
infinitive bevragen
gerund bevragen n
present tense past tense
1st person singular bevraag bevroeg
2nd person sing. (jij) bevraagt bevroeg
2nd person sing. (u) bevraagt bevroeg
2nd person sing. (gij) bevraagt bevroegt
3rd person singular bevraagt bevroeg
plural bevragen bevroegen
subjunctive sing.1 bevrage bevroege
subjunctive plur.1 bevragen bevroegen
imperative sing. bevraag
imperative plur.1 bevraagt
participles bevragend bevraagd
1) Archaic.

Derived termsEdit