Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

From Middle Dutch besoeken, from Old Dutch bisuoken. Equivalent to be- +‎ zoeken.

VerbEdit

bezoeken

  1. (transitive) to visit
InflectionEdit
Inflection of bezoeken (weak with past in -cht, prefixed)
infinitive bezoeken
past singular bezocht
past participle bezocht
infinitive bezoeken
gerund bezoeken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bezoek bezocht
2nd person sing. (jij) bezoekt bezocht
2nd person sing. (u) bezoekt bezocht
2nd person sing. (gij) bezoekt bezocht
3rd person singular bezoekt bezocht
plural bezoeken bezochten
subjunctive sing.1 bezoeke bezochte
subjunctive plur.1 bezoeken bezochten
imperative sing. bezoek
imperative plur.1 bezoekt
participles bezoekend bezocht
1) Archaic.
SynonymsEdit
Derived termsEdit

Etymology 2Edit

Non-lemma forms.

NounEdit

bezoeken

  1. plural of bezoek