bezoeken

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

be- +‎ zoeken, cognate with German besuchen and Swedish besöka

VerbEdit

bezoeken ‎(past singular bezocht, past participle bezocht)

  1. to visit

ConjugationEdit

Inflection of bezoeken (weak with past in -cht, prefixed)
infinitive bezoeken
past singular bezocht
past participle bezocht
infinitive bezoeken
gerund bezoeken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bezoek bezocht
2nd person sing. (jij) bezoekt bezocht
2nd person sing. (u) bezoekt bezocht
2nd person sing. (gij) bezoekt bezocht
3rd person singular bezoekt bezocht
plural bezoeken bezochten
subjunctive sing.1 bezoeke bezochte
subjunctive plur.1 bezoeken bezochten
imperative sing. bezoek
imperative plur.1 bezoekt
participles bezoekend bezocht
1) Archaic.

Derived termsEdit

SynonymsEdit

Read in another language