Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch soeken, from Old Dutch suoken, from Proto-Germanic *sōkijaną, from Proto-Indo-European *séh₂gyeti.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈzukə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: zoe‧ken
  • Rhymes: -ukən

VerbEdit

zoeken

  1. (intransitive) to search [+ naar (object) = for]
  2. (transitive) to look for, to seek

InflectionEdit

Inflection of zoeken (weak with past in -cht)
infinitive zoeken
past singular zocht
past participle gezocht
infinitive zoeken
gerund zoeken n
present tense past tense
1st person singular zoek zocht
2nd person sing. (jij) zoekt zocht
2nd person sing. (u) zoekt zocht
2nd person sing. (gij) zoekt zocht
3rd person singular zoekt zocht
plural zoeken zochten
subjunctive sing.1 zoeke zochte
subjunctive plur.1 zoeken zochten
imperative sing. zoek
imperative plur.1 zoekt
participles zoekend gezocht
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit