boegseren

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

Borrowing from Portuguese puxar ‎(to pull) with influence of boeg ‎(bow of a ship).

PronunciationEdit

VerbEdit

boegseren ‎(past singular boegseerde, past participle geboegseerd)

  1. to tug, to tow

ConjugationEdit

Inflection of boegseren (weak)
infinitive boegseren
past singular boegseerde
past participle geboegseerd
infinitive boegseren
gerund boegseren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular boegseer boegseerde
2nd person sing. (jij) boegseert boegseerde
2nd person sing. (u) boegseert boegseerde
2nd person sing. (gij) boegseert boegseerde
3rd person singular boegseert boegseerde
plural boegseren boegseerden
subjunctive sing.1 boegsere boegseerde
subjunctive plur.1 boegseren boegseerden
imperative sing. boegseer
imperative plur.1 boegseert
participles boegserend geboegseerd
1) Archaic.

SynonymsEdit

Read in another language