Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch clâer (bright, shining, ready, finished), from Latin clārus (bright).[1]

PronunciationEdit

  • IPA(key): /klaːr/
  • (file)
  • Rhymes: -aːr

AdjectiveEdit

klaar (comparative klaarder, superlative klaarst)

  1. ready
    Synonym: gereed
  2. finished
    Synonyms: af, voltooid
  3. clear
    Synonym: helder

InflectionEdit

Inflection of klaar
uninflected klaar
inflected klare
comparative klaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial klaar klaarder het klaarst
het klaarste
indefinite m./f. sing. klare klaardere klaarste
n. sing. klaar klaarder klaarste
plural klare klaardere klaarste
definite klare klaardere klaarste
partitive klaars klaarders

Derived termsEdit

AnagramsEdit

ReferencesEdit

  1. ^ klaar; in: J. de Vries & F. de Tollenaere, "Etymologisch Woordenboek", Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1986 (14de druk)