AfrikaansEdit

EtymologyEdit

From Dutch klaar (ready; finished; clear), from Middle Dutch clâer (bright, shining, ready, finished), from Latin clārus (bright).[1]

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

klaar (attributive klare, comparative klaarder, superlative klaarste)

  1. ready, prepared
    Synonym: gereed
  2. finished, done

ReferencesEdit

  1. ^ klaar; in: J. de Vries & F. de Tollenaere, "Etymologisch Woordenboek", Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1986 (14de druk)

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch clâer (bright, shining, ready, finished), from Latin clārus (bright).[1]

PronunciationEdit

  • IPA(key): /klaːr/
  • (file)
  • Hyphenation: klaar
  • Rhymes: -aːr

AdjectiveEdit

klaar (comparative klaarder, superlative klaarst)

  1. ready
    Synonyms: gereed, paraat
  2. finished, done (of a task)
    Synonyms: af, gedaan, volbracht, voltooid
  3. finished, done (of a person performing a task)
    Zij is klaar met haar werk.
    She is finished with her work.
  4. clear
    • 1968, Willem Johan van der Molen & Jan Wit, "Evenals een moede hinde" (psalm 42).
      Evenals een moede hinde / naar het klare water smacht, / schreeuwt mijn ziel om God te vinden / die ik ademloos verwacht.
      (please add an English translation of this quote)
    Synonym: helder

InflectionEdit

Inflection of klaar
uninflected klaar
inflected klare
comparative klaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial klaar klaarder het klaarst
het klaarste
indefinite m./f. sing. klare klaardere klaarste
n. sing. klaar klaarder klaarste
plural klare klaardere klaarste
definite klare klaardere klaarste
partitive klaars klaarders

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: klaar
  • Berbice Creole Dutch: klara
  • Negerhollands: klaar
  • Indonesian: kelar
  • Papiamentu: kla, klaar

AnagramsEdit

ReferencesEdit

  1. ^ klaar; in: J. de Vries & F. de Tollenaere, "Etymologisch Woordenboek", Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1986 (14de druk)