Open main menu

DutchEdit

PronunciationEdit

  • (file)
  • Hyphenation: vers‧lap‧pen
  • Rhymes: -ɑpən

VerbEdit

verslappen

  1. to extenuate (make thin or slender)
  2. to wilt, to fatigue
  3. to relax, sag, slack (to lose firmness)
  4. to relent, slacken, abate
  5. to fade

InflectionEdit

Inflection of verslappen (weak, prefixed)
infinitive verslappen
past singular verslappte
past participle verslappt
infinitive verslappen
gerund verslappen n
present tense past tense
1st person singular verslapp verslappte
2nd person sing. (jij) verslappt verslappte
2nd person sing. (u) verslappt verslappte
2nd person sing. (gij) verslappt verslappte
3rd person singular verslappt verslappte
plural verslappen verslappten
subjunctive sing.1 verslappe verslappte
subjunctive plur.1 verslappen verslappten
imperative sing. verslapp
imperative plur.1 verslappt
participles verslappend verslappt
1) Archaic.