Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

From voor- +‎ zien.

VerbEdit

voorzien

  1. to provide, to supply
  2. to facilitate
  3. to foresee, to predict

InflectionEdit

Inflection of voorzien (strong class 5, irregular, prefixed)
infinitive voorzien
past singular voorzag
past participle voorzien
infinitive voorzien
gerund voorzien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular voorzie voorzag
2nd person sing. (jij) voorziet voorzag
2nd person sing. (u) voorziet voorzag
2nd person sing. (gij) voorziet voorzaagt
3rd person singular voorziet voorzag
plural voorzien voorzagen
subjunctive sing.1 voorzie voorzage
subjunctive plur.1 voorzien voorzagen
imperative sing. voorzie
imperative plur.1 voorziet
participles voorziend voorzien
1) Archaic.

ParticipleEdit

voorzien

  1. past participle of voorzien

InflectionEdit

Inflection of voorzien
uninflected voorzien
inflected voorziene
comparative
positive
predicative/adverbial voorzien
indefinite m./f. sing. voorziene
n. sing. voorzien
plural voorziene
definite voorziene
partitive voorziens

Derived termsEdit