Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

waard (worth) +‎ eren (to honor)

PronunciationEdit

  • (file)

VerbEdit

waarderen

  1. to appreciate, to value
  2. to estimate the value of

InflectionEdit

Inflection of waarderen (weak)
infinitive waarderen
past singular waardeerde
past participle gewaardeerd
infinitive waarderen
gerund waarderen n
present tense past tense
1st person singular waardeer waardeerde
2nd person sing. (jij) waardeert waardeerde
2nd person sing. (u) waardeert waardeerde
2nd person sing. (gij) waardeert waardeerde
3rd person singular waardeert waardeerde
plural waarderen waardeerden
subjunctive sing.1 waardere waardeerde
subjunctive plur.1 waarderen waardeerden
imperative sing. waardeer
imperative plur.1 waardeert
participles waarderend gewaardeerd
1) Archaic.

SynonymsEdit

Derived termsEdit

Related termsEdit