Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch aenhouden. Equivalent to aan +‎ houden.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈaːnɦɑu̯də(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: aan‧hou‧den

VerbEdit

aanhouden

  1. (transitive) to arrest
  2. (transitive) to hail (a cab); to stop (someone in order to ask a question)
  3. (transitive) to keep up, to keep on
    Voor een normale gloeilamp wordt als beste compromis een temperatuur van ca. 2500 graden Celsius aangehouden.
    For a normal lightbulb, as the best compromise a temperature of ca. 2500 degrees Celsius is kept up.
  4. (intransitive) to be ongoing, to persist
  5. (transitive) to keep on, to continue wearing (clothing)
  6. (transitive) to maintain in employment, to keep hired

InflectionEdit

Inflection of aanhouden (strong class 7, slightly irregular, separable)
infinitive aanhouden
past singular hield aan
past participle aangehouden
infinitive aanhouden
gerund aanhouden n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hou aan, houd aan hield aan aanhou, aanhoud aanhield
2nd person sing. (jij) houdt aan hield aan aanhoudt aanhield
2nd person sing. (u) houdt aan hield aan aanhoudt aanhield
2nd person sing. (gij) houdt aan hieldt aan aanhoudt aanhieldt
3rd person singular houdt aan hield aan aanhoudt aanhield
plural houden aan hielden aan aanhouden aanhielden
subjunctive sing.1 houde aan hielde aan aanhoude aanhielde
subjunctive plur.1 houden aan hielden aan aanhouden aanhielden
imperative sing. hou aan, houd aan
imperative plur.1 houdt aan
participles aanhoudend aangehouden
1) Archaic.

SynonymsEdit

AnagramsEdit