Open main menu

Contents

DutchEdit

Alternative formsEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch bewaren, from Old Dutch biwaron. Equivalent to be- +‎ waren. Cognate with English beware.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /bəˈʋaːrə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧wa‧ren
  • Rhymes: -aːrən

VerbEdit

bewaren

  1. (transitive) to preserve, to keep
    Synonyms: behouden, houden
  2. (transitive) to guard, to watch over
    Synonyms: behoeden, behouden, bewaken

InflectionEdit

Inflection of bewaren (weak, prefixed)
infinitive bewaren
past singular bewaarde
past participle bewaard
infinitive bewaren
gerund bewaren n
present tense past tense
1st person singular bewaar bewaarde
2nd person sing. (jij) bewaart bewaarde
2nd person sing. (u) bewaart bewaarde
2nd person sing. (gij) bewaart bewaarde
3rd person singular bewaart bewaarde
plural bewaren bewaarden
subjunctive sing.1 beware bewaarde
subjunctive plur.1 bewaren bewaarden
imperative sing. bewaar
imperative plur.1 bewaart
participles bewarend bewaard
1) Archaic.

Derived termsEdit