Contents

DutchEdit

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

gewoon ‎(comparative gewoner, superlative gewoonst)

  1. regular, ordinary, usual
    Dit is maar een gewone postzegel.
    This is just an ordinary stamp.
  2. normal
    Hij is een gewone jongen.
    He's a normal boy.

InflectionEdit

Inflection of gewoon
uninflected gewoon
inflected gewone
comparative gewoner
positive comparative superlative
predicative/adverbial gewoon gewoner het gewoonst
het gewoonste
indefinite m./f. sing. gewone gewonere gewoonste
n. sing. gewoon gewoner gewoonste
plural gewone gewonere gewoonste
definite gewone gewonere gewoonste
partitive gewoons gewoners

Derived termsEdit

AdverbEdit

gewoon

  1. simply, just
    Je moet gewoon op het knopje drukken.
    You simply have to push the button.
Read in another language