aangeven

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch aengeven. Equivalent to aan +‎ geven.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈaːŋɣeːvə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: aan‧ge‧ven

VerbEdit

aangeven

  1. (transitive) to hand, to pass
    Kun je me de afstandsbediening aangeven?
    Could you hand me the remote control?
  2. (transitive) to indicate, to point out
    Hij heeft aangegeven waar het is.
    He indicated where it is (to be found).
  3. (transitive) to report, to notify, to declare
    Iemand aangeven.
    To report someone (to the authorities).
    Niets aan te geven.
    Nothing to declare.

InflectionEdit

Inflection of aangeven (strong class 5, separable)
infinitive aangeven
past singular gaf aan
past participle aangegeven
infinitive aangeven
gerund aangeven n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular geef aan gaf aan aangeef aangaf
2nd person sing. (jij) geeft aan gaf aan aangeeft aangaf
2nd person sing. (u) geeft aan gaf aan aangeeft aangaf
2nd person sing. (gij) geeft aan gaaft aan aangeeft aangaaft
3rd person singular geeft aan gaf aan aangeeft aangaf
plural geven aan gaven aan aangeven aangaven
subjunctive sing.1 geve aan gave aan aangeve aangave
subjunctive plur.1 geven aan gaven aan aangeven aangaven
imperative sing. geef aan
imperative plur.1 geeft aan
participles aangevend aangegeven
1) Archaic.

Derived termsEdit

Related termsEdit

AnagramsEdit