aanslaan

DutchEdit

EtymologyEdit

aan +‎ slaan

PronunciationEdit

VerbEdit

aanslaan ‎(past singular sloeg aan, past participle aangeslagen)

  1. (transitive) to strike physically so as to activate or produce an effect
  2. (intransitive) to start, to kick in
  3. (intransitive) to succeed, to have an effect
  4. (intransitive) to catch on, to become popular
    Constant leest daar een vertaling van zijn manifest voor, dat echter helemaal niet aanslaat bij het publiek.
    Constant reads aloud a translation of his manifest there, which however did not catch on with the audience.

ConjugationEdit

Inflection of aanslaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive aanslaan
past singular sloeg aan
past participle aangeslagen
infinitive aanslaan
gerund aanslaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sla aan sloeg aan aansla aansloeg
2nd person sing. (jij) slaat aan sloeg aan aanslaat aansloeg
2nd person sing. (u) slaat aan sloeg aan aanslaat aansloeg
2nd person sing. (gij) slaat aan sloegt aan aanslaat aansloegt
3rd person singular slaat aan sloeg aan aanslaat aansloeg
plural slaan aan sloegen aan aanslaan aansloegen
subjunctive sing.1 sla aan sloege aan aansla aansloege
subjunctive plur.1 slaan aan sloegen aan aanslaan aansloegen
imperative sing. sla aan
imperative plur.1 slaat aan
participles aanslaand aangeslagen
1) Archaic.

Related termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language