Open main menu

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From op (up) +‎ houden (hold).

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈɔpˌɦʌu̯.də(n)/
  • (file)

VerbEdit

ophouden

  1. (intransitive) to finish, end (to come to an end)
    Synonym: stoppen
    Antonym: beginnen
  2. (intransitive) to cease, stop
  3. (transitive) to hold up, to hinder
    Synonyms: blokkeren, hinderen
    Antonym: uitscheiden
  4. (transitive) to uphold, keep up, maintain
    De schone schijn ophouden.
    To keep up appearances.

InflectionEdit

Inflection of ophouden (strong class 7, slightly irregular, separable)
infinitive ophouden
past singular hield op
past participle opgehouden
infinitive ophouden
gerund ophouden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hou op, houd op hield op ophou, ophoud ophield
2nd person sing. (jij) houdt op hield op ophoudt ophield
2nd person sing. (u) houdt op hield op ophoudt ophield
2nd person sing. (gij) houdt op hieldt op ophoudt ophieldt
3rd person singular houdt op hield op ophoudt ophield
plural houden op hielden op ophouden ophielden
subjunctive sing.1 houde op hielde op ophoude ophielde
subjunctive plur.1 houden op hielden op ophouden ophielden
imperative sing. hou op, houd op
imperative plur.1 houdt op
participles ophoudend opgehouden
1) Archaic.

AnagramsEdit