ophouden

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

op- +‎ houden

PronunciationEdit

VerbEdit

ophouden ‎(past singular hield op, past participle opgehouden)

  1. (intransitive) to finish, end (to come to an end)
  2. (intransitive) to cease, stop
  3. (transitive) to hold up, to hinder

ConjugationEdit

Inflection of ophouden (strong class 7, slightly irregular, separable)
infinitive ophouden
past singular hield op
past participle opgehouden
infinitive ophouden
gerund ophouden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hou op, houd op hield op ophou, ophoud ophield
2nd person sing. (jij) houdt op hield op ophoudt ophield
2nd person sing. (u) houdt op hield op ophoudt ophield
2nd person sing. (gij) houdt op hieldt op ophoudt ophieldt
3rd person singular houdt op hield op ophoudt ophield
plural houden op hielden op ophouden ophielden
subjunctive sing.1 houde op hielde op ophoude ophielde
subjunctive plur.1 houden op hielden op ophouden ophielden
imperative sing. hou op, houd op
imperative plur.1 houdt op
participles ophoudend opgehouden
1) Archaic.

SynonymsEdit

AntonymsEdit

AnagramsEdit

Read in another language