schaken

Contents

DutchEdit

Dutch Wikipedia has an article on:

Wikipedia nl

PronunciationEdit

Etymology 1Edit

From schaak +‎ -en.

VerbEdit

schaken ‎(past singular schaakte, past participle geschaakt)

  1. to play chess
ConjugationEdit
Inflection of schaken (weak)
infinitive schaken
past singular schaakte
past participle geschaakt
infinitive schaken
gerund schaken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular schaak schaakte
2nd person sing. (jij) schaakt schaakte
2nd person sing. (u) schaakt schaakte
2nd person sing. (gij) schaakt schaakte
3rd person singular schaakt schaakte
plural schaken schaakten
subjunctive sing.1 schake schaakte
subjunctive plur.1 schaken schaakten
imperative sing. schaak
imperative plur.1 schaakt
participles schakend geschaakt
1) Archaic.
SynonymsEdit
Derived termsEdit

NounEdit

schaken n ‎(uncountable)

  1. (games) chess

Etymology 2Edit

VerbEdit

schaken ‎(past singular schaakte, past participle geschaakt)

  1. (archaic) to kidnap
    Een geschaakte bruid
ConjugationEdit
Inflection of schaken (weak)
infinitive schaken
past singular schaakte
past participle geschaakt
infinitive schaken
gerund schaken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular schaak schaakte
2nd person sing. (jij) schaakt schaakte
2nd person sing. (u) schaakt schaakte
2nd person sing. (gij) schaakt schaakte
3rd person singular schaakt schaakte
plural schaken schaakten
subjunctive sing.1 schake schaakte
subjunctive plur.1 schaken schaakten
imperative sing. schaak
imperative plur.1 schaakt
participles schakend geschaakt
1) Archaic.

Low GermanEdit

EtymologyEdit

From Old Saxon skakan, from Proto-Germanic *skakaną, from Proto-Indo-European *(s)keg- ‎(to shake, stir), *(s)kek-. Cognate with English shake, Dutch schaken, West Frisian schaakje, Danish skage, Norwegian skake, Swedish skaka.

VerbEdit

schaken (past singular schaak, past participle schaken, auxiliary verb wesen or hebben)

  1. to move, shift
  2. to push, shake

ConjugationEdit

Read in another language