uitdossen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From uit- 'out-, fully' + dos 'fur; (fanciful) costume/dress' + -en

PronunciationEdit

VerbEdit

uitdossen ‎(past singular doste uit, past participle uitgedost)

  1. (transitive) To dress up, costume fancifully
  2. (figuratively, transitive) To ornate, dote etc.
  3. (reflexive) To wear fanciful costume

Derived termsEdit

ConjugationEdit

Inflection of uitdossen (weak, separable)
infinitive uitdossen
past singular doste uit
past participle uitgedost
infinitive uitdossen
gerund uitdossen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular dos uit doste uit uitdos uitdoste
2nd person sing. (jij) dost uit doste uit uitdost uitdoste
2nd person sing. (u) dost uit doste uit uitdost uitdoste
2nd person sing. (gij) dost uit doste uit uitdost uitdoste
3rd person singular dost uit doste uit uitdost uitdoste
plural dossen uit dosten uit uitdossen uitdosten
subjunctive sing.1 dosse uit doste uit uitdosse uitdoste
subjunctive plur.1 dossen uit dosten uit uitdossen uitdosten
imperative sing. dos uit
imperative plur.1 dost uit
participles uitdossend uitgedost
1) Archaic.

Related termsEdit

AnagramsEdit

Read in another language