Open main menu
See also: vermögen and Vermögen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ mogen

PronunciationEdit

  • IPA(key): /vərˈmoːɣə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: ver‧mo‧gen

NounEdit

vermogen n (plural vermogens, diminutive vermogentje n)

  1. ability, power, capacity
    Zijn vermogen tot aanpassen is beperkt.
    His ability to adapt is limited.
    Antonym: onvermogen
  2. (physics) power
    Deze koelkast verbruikt een vermogen van 100 W.
    This refrigerator consumes 100 W.
  3. fortune (large sum of money
    Dat huis kostte een vermogen.
    That house cost a fortune.
  4. (economics) wealth, fortune, property
    Hij liet zijn hele vermogen na aan het Rode Kruis.
    He left his entire fortune to the Red Cross.

Derived termsEdit

VerbEdit

vermogen

  1. (rare; formal) to be able to do, to be able to achieve
    Ik vermag er niets tegen.
    I can't do anything about it.
    Wat muziek al niet vermag ...
    The things music can do...

InflectionEdit

Inflection of vermogen (preterite-present, prefixed)
infinitive vermogen
past singular vermocht
past participle vermogen
infinitive vermogen
gerund vermogen n
present tense past tense
1st person singular vermag vermocht
2nd person sing. (jij) vermag vermocht
2nd person sing. (u) vermag vermocht
2nd person sing. (gij) vermoogt vermocht
3rd person singular vermag vermocht
plural vermogen vermochten
subjunctive sing.1 vermoge vermochte
subjunctive plur.1 vermogen vermochten
imperative sing. vermag
imperative plur.1 vermoogt
participles vermogend vermogen
1) Archaic.

ParticipleEdit

vermogen

  1. past participle of vermogen

InflectionEdit

Inflection of vermogen
uninflected vermogen
inflected vermogen
comparative
positive
predicative/adverbial vermogen
indefinite m./f. sing. vermogen
n. sing. vermogen
plural vermogen
definite vermogen
partitive vermogens