Open main menu

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch opnēmen. Equivalent to op +‎ nemen.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /ˈɔpˌneː.mə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: op‧ne‧men

VerbEdit

opnemen

  1. (transitive) to pick up, to raise
    Ze nam het glas op en sloeg het achterover.
    She raised the glass and downed it.
  2. (transitive, intransitive) to pick up or answer (the phone or horn)
    Wie gaat de telefoon opnemen?
    Who is going to answer/pick up the phone.
    Hij nam niet op.
    He didn't answer the phone.
  3. (transitive) to take in, to admit, to reserve a spot for
    Het was aanvankelijk de bedoeling dat hij in onze maatschap zou worden opgenomen.
    We initially intended for him to join (literally: be taken onboard) our partnership.
  4. (transitive) to record
    De jazzband wil een nieuw album opnemen.
    The jazz band want to record a new album.
  5. (transitive) to snap (a photo), shoot (a film)
  6. (transitive) to eyeball, to look at
  7. (transitive) to observe or measure (result)
    de temperatuur opnemen
    to measure the temperature
  8. (transitive) to begin, to initiate
    contact opnemen met iemand
    to initiate contact with someone

InflectionEdit

Inflection of opnemen (strong class 4, separable)
infinitive opnemen
past singular nam op
past participle opgenomen
infinitive opnemen
gerund opnemen n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular neem op nam op opneem opnam
2nd person sing. (jij) neemt op nam op opneemt opnam
2nd person sing. (u) neemt op nam op opneemt opnam
2nd person sing. (gij) neemt op naamt op opneemt opnaamt
3rd person singular neemt op nam op opneemt opnam
plural nemen op namen op opnemen opnamen
subjunctive sing.1 neme op name op opneme opname
subjunctive plur.1 nemen op namen op opnemen opnamen
imperative sing. neem op
imperative plur.1 neemt op
participles opnemend opgenomen
1) Archaic.

Derived termsEdit

DescendantsEdit

  • Afrikaans: opneem

AnagramsEdit