vervallen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ vallen

PronunciationEdit

VerbEdit

vervallen ‎(past singular verviel, past participle vervallen)

  1. to decline, reject
  2. to worsen
  3. to decay, rot
  4. to recede, pull away
  5. (law) to cease to be valid
  6. (of food) to expire

ConjugationEdit

Inflection of vervallen (strong class 7, prefixed)
infinitive vervallen
past singular verviel
past participle vervallen
infinitive vervallen
gerund vervallen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verval verviel
2nd person sing. (jij) vervalt verviel
2nd person sing. (u) vervalt verviel
2nd person sing. (gij) vervalt vervielt
3rd person singular vervalt verviel
plural vervallen vervielen
subjunctive sing.1 vervalle verviele
subjunctive plur.1 vervallen vervielen
imperative sing. verval
imperative plur.1 vervalt
participles vervallend vervallen
1) Archaic.

ParticipleEdit

vervallen

  1. past participle of vervallen

DeclensionEdit

Inflection of vervallen
uninflected vervallen
inflected vervallen
comparative
positive
predicative/adverbial vervallen
indefinite m./f. sing. vervallen
n. sing. vervallen
plural vervallen
definite vervallen
partitive vervallens

AdjectiveEdit

vervallen ‎(comparative vervallener, superlative vervallenst)

  1. dilapidated, ruinous
  2. (law) having no legal force or cogency, invalid
  3. (of food) expired

DeclensionEdit

Inflection of vervallen
uninflected vervallen
inflected vervallen
comparative vervallener
positive comparative superlative
predicative/adverbial vervallen vervallener het vervallenst
het vervallenste
indefinite m./f. sing. vervallen vervallener vervallenste
n. sing. vervallen vervallener vervallenste
plural vervallen vervallener vervallenste
definite vervallen vervallener vervallenste
partitive vervallens vervalleners
Read in another language