Open main menu

Wiktionary β

See also: Zwart

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch swart, from Old Dutch swart, from Proto-Germanic *swartaz.

PronunciationEdit

AdjectiveEdit

zwart (comparative zwarter, superlative zwartst)

  1. black
    Antonym: wit
  2. having dark skin
    Antonym: blank
  3. illegal, without payment or taxation
    Antonym: wit

InflectionEdit

Inflection of zwart
uninflected zwart
inflected zwarte
comparative zwarter
positive comparative superlative
predicative/adverbial zwart zwarter het zwartst
het zwartste
indefinite m./f. sing. zwarte zwartere zwartste
n. sing. zwart zwarter zwartste
plural zwarte zwartere zwartste
definite zwarte zwartere zwartste
partitive zwarts zwarters

Derived termsEdit

NounEdit

zwart n (plural zwarten, diminutive zwartje n)

  1. the colour black

See alsoEdit

Colors in Dutch · kleuren (layout · text)
     wit      grijs      zwart      bruin
             roze              rood ; karmijnrood              oranje              geel ; roomwit
             groengeel/limoengroen              groen                           blauwgroen/cyaan ; groenblauw/petrolblauw
             azuurblauw              blauw              violet ; indigo              magenta ; paars

LimburgishEdit

EtymologyEdit

From Middle Dutch swart, from Old Dutch swart, from Proto-Germanic *swartaz.

NounEdit

zwart n

  1. black