Open main menu

Contents

DutchEdit

Alternative formsEdit

EtymologyEdit

From Old Dutch *blāo, from Proto-Germanic *blēwaz.

PronunciationEdit

  • IPA(key): /blɑu̯/
  • (file)

AdjectiveEdit

blauw (comparative blauwer, superlative blauwst)

  1. blue
  2. visibly bruised, as in blauwe plek 'a bluish bruise'
  3. (slang) drunk

InflectionEdit

Inflection of blauw
uninflected blauw
inflected blauwe
comparative blauwer
positive comparative superlative
predicative/adverbial blauw blauwer het blauwst
het blauwste
indefinite m./f. sing. blauwe blauwere blauwste
n. sing. blauw blauwer blauwste
plural blauwe blauwere blauwste
definite blauwe blauwere blauwste
partitive blauws blauwers

NounEdit

blauw n (plural blauwen, diminutive blauwtje n)

  1. The colour blue.
  2. Police (especially in the phrase: blauw op straat (police on the street))

Derived termsEdit

DescendantsEdit

See alsoEdit

Colors in Dutch · kleuren (layout · text)
     wit      grijs      zwart
             rood ; karmijnrood              oranje ; bruin              geel ; roomwit
             groengeel/limoengroen              groen             
             blauwgroen/cyaan ; groenblauw/petrolblauw              azuurblauw              blauw
             violet ; indigo              magenta ; paars              roze