verhuren

DutchEdit

EtymologyEdit

ver- +‎ huren

PronunciationEdit

VerbEdit

verhuren ‎(past singular verhuurde, past participle verhuurd)

  1. to rent, rent out (To grant occupation in return for rent)

ConjugationEdit

Inflection of verhuren (weak, prefixed)
infinitive verhuren
past singular verhuurde
past participle verhuurd
infinitive verhuren
gerund verhuren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verhuur verhuurde
2nd person sing. (jij) verhuurt verhuurde
2nd person sing. (u) verhuurt verhuurde
2nd person sing. (gij) verhuurt verhuurde
3rd person singular verhuurt verhuurde
plural verhuren verhuurden
subjunctive sing.1 verhure verhuurde
subjunctive plur.1 verhuren verhuurden
imperative sing. verhuur
imperative plur.1 verhuurt
participles verhurend verhuurd
1) Archaic.
Read in another language