Appendix:Dutch correlatives

interrogative proximal
demonstrative
distal
demonstrative
unspecific
demonstrative
existential negatory universal alternative
person pronoun wie (who?) hij (he)/zij (she) hij (he)/zij (she)
die (he/she; that one)
hij (he)/zij (she) iemand (somebody) niemand (nobody) iedereen (everyone)
allemaal (everyone)
allen (all)
iemand anders (someone else)
een ander (another)
nonperson pronoun wat (what?) dit (this) dat (that) het (it) iets (something) niets (nothing)
niks (nothing)
alles (everything) iets anders (something else)
determiner welk (which?) deze/dit (this, these) die/dat (that, those) de/het (the) sommige (some)
enkele (a few)
wat (some, a few)
geen (no, not any) alle (all, all of)
elk (each)
ander (other, another)
kind welk (which?)
wat voor (what kind?)
zulk (such, such a)
zo'n (such a)
amount hoeveel (how much/many) zoveel (this much/many) alle (all, all of)
place waar (where?) hier (here) daar (there) er (there) ergens (somewhere) nergens (nowhere) overal (everywhere) ergens anders (somewhere else)
elders (elsewhere)
time wanneer (when?) nu (now) dan (then)
toen (then (in the past), back then)
soms (sometimes)
ooit (at one time, ever)
nooit (never)
nimmer (never)
altijd (always)
immer (always, forever)
manner hoe (how?)
op welke manier (in what way?)
zo (so, thus, like that)
op deze manier (in this way)
zo (so, thus, like that)
op die manier (in that way)
op geen (enkele) manier (in no way)
geenszins (in no way, not at all)
op elke manier (in every way)
alleszins (in every way, completely)
anders (otherwise, differently)
op een andere manier (another way)
anderszins (in another way, otherwise)
reason waarom (why? for what reason?) hierom (for this reason) daarom (for that reason) ergens om (for some reason)
om iets (because of something)
nergens om (for no reason)
om niets (because of nothing)
overal om (for every reason)
om alles (because of everything)
ergens anders om (for another reason)
om iets anders (because of something else)
purpose waarvoor (why? for what purpose?) hiervoor (for this purpose) daarvoor (for that purpose) ergens voor (for some purpose)
voor iets (for something)
nergens voor (for no purpose)
voor niets (for nothing)
overal voor (for every purpose)
voor alles (for everything)
ergens anders voor (for another purpose)
voor iets anders (for something else)