bekennen

Contents

DutchEdit

EtymologyEdit

be- +‎ kennen

PronunciationEdit

VerbEdit

bekennen ‎(past singular bekende, past participle bekend)

  1. to acknowledge, confess

ConjugationEdit

Inflection of bekennen (weak, prefixed)
infinitive bekennen
past singular bekende
past participle bekend
infinitive bekennen
gerund bekennen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beken bekende
2nd person sing. (jij) bekent bekende
2nd person sing. (u) bekent bekende
2nd person sing. (gij) bekent bekende
3rd person singular bekent bekende
plural bekennen bekenden
subjunctive sing.1 bekenne bekende
subjunctive plur.1 bekennen bekenden
imperative sing. beken
imperative plur.1 bekent
participles bekennend bekend
1) Archaic.

Derived termsEdit


GermanEdit

PronunciationEdit

EtymologyEdit

be- +‎ kennen

VerbEdit

bekennen ‎(strong, third-person singular simple present bekennt, past tense bekannte, past participle bekannt, past subjunctive bekennte, auxiliary haben)

  1. to confess

ConjugationEdit

Derived termsEdit

External linksEdit

Read in another language